NMS2001-I besturingseenheid

Korte beschrijving:

Detectortype:Lineaire warmtedetector met vaste alarmtemperatuur

Bedrijfsspanning:DC24V

Toegestaan ​​spanningsbereik:DC 20V-DC 28V

Standby-stroom≤60mA

Alarmstroom≤80mA

Alarmerende reset:Verbinding verbreken reset

Statusindicatie:

1. Stabiele stroomvoorziening: groene indicator knippert (frequentie circa 1 Hz)

2. Normale werking: Het groene indicatielampje brandt continu.

3. Brandalarm met vaste temperatuur: Rode indicator brandt continu.

4. Storing: Geel controlelampje brandt continu

Bedrijfsomgeving:

1. Temperatuur: –10°C tot +50°C

2. Relatieve luchtvochtigheid ≤ 95%, geen condensatie

3. Beschermingsklasse buitenkant: IP66


Productdetails

De NMS2001-I wordt gebruikt om temperatuurveranderingen in de sensorkabel te detecteren en te communiceren met de brandmeldcentrale.

De NMS2001-I kan continu brandalarmen, open circuits en kortsluitingen in het gedetecteerde gebied bewaken en alle gegevens op de indicatielampjes weergeven. De NMS2001-I moet na het uitschakelen en weer inschakelen gereset worden vanwege de vergrendelingsfunctie van het brandalarm. De storingsalarmfunctie wordt na het verhelpen van een storing automatisch gereset. De NMS2001-I werkt op 24V DC, let daarom op de juiste voedingscapaciteit en het netsnoer.

Kenmerken van NMS2001-I

♦ Kunststof behuizing:Chemische bestendigheid, verouderingsbestendigheid en schokbestendigheid;

♦ Simulatietests van brandalarm of storingsalarm kunnen worden uitgevoerd. Gebruiksvriendelijke bediening.

♦ IP-classificatie: IP66

♦ Met LCD-scherm kunnen diverse alarmmeldingen worden weergegeven

♦ De detector heeft een hoge storingsbestendigheid dankzij nauwkeurige aardingsmetingen, isolatietests en softwarematige storingsbestendigheidstechnieken. Hij is geschikt voor gebruik op plaatsen met een hoge elektromagnetische veldstoring.

Vormprofiel en aansluitinstructies voor NMS2001-I:

123

Diagram 1 Vormprofiel van NMS2001-I

Installatie-instructies

21323

Diagram 2 Aansluitklemmen op de besturingseenheid

DL1,DL2: DC24V-voeding,niet-polaire verbinding

1,2,3,4: met detectiekabel

terminal

COM1 NO1: vooralarm/storing/fun, relaiscontact samengestelde uitgang

EOL1: met eindweerstand 1

(om overeen te komen met de ingangsmodule, corresponderend met COM1 NO1)

COM2 NO2: brand/storing/fun, relaiscontact samengestelde uitgang

EOL2: met eindweerstand 1

(om overeen te komen met de ingangsmodule, corresponderend met COM2 NO2)

(2) aansluitinstructie van de eindpoort van de sensorkabel

Maak twee rode kernen aan elkaar, en vervolgens twee witte kernen, en maak dan een waterdichte verpakking.

Gebruik en bediening van NMS2001-I

Na de aansluiting en installatie schakelt u de besturingseenheid in. Het groene indicatielampje knippert dan gedurende één minuut. Vervolgens schakelt de detector over naar de normale bewakingsmodus en blijft het groene indicatielampje continu branden. De bediening en instellingen kunnen worden uitgevoerd via het LCD-scherm en de knoppen.

(1) Bediening en weergave van de set

Weergave van normale werking:

NMS2001

Wordt weergegeven na het drukken op "Fun":

Alarmtemperatuur
Omgevingstemperatuur

Druk op “△” en “▽” om de gewenste bewerking te selecteren, druk vervolgens op “OK” om te bevestigen en het menu te openen, en druk op “C” om terug te keren naar het vorige menu.

Het menuontwerp van NMS2001-I ziet er als volgt uit:

1111

Druk op “△” en “▽” om de huidige gegevens in de secundaire interface te wijzigen: “1. Alarmtemperatuur”, “2. Omgevingstemperatuur”, “3. Gebruiksduur”;

Druk op "C" om naar de vorige ingestelde gegevens te gaan en op "OK" om naar de volgende gegevens te gaan; druk op "OK" aan het einde van de huidige gegevens om de instelling te bevestigen en terug te keren naar het vorige menu, druk op "C" aan het begin van de huidige gegevens om de instelling te annuleren en terug te keren naar het vorige menu.

(1) Instelling van de temperatuur van het brandalarm

De temperatuur waarbij het brandalarm afgaat, kan worden ingesteld tussen 70℃ en 140℃. De standaardinstelling voor de temperatuur vóór het alarm is 10℃ lager dan de temperatuur waarbij het brandalarm afgaat.

(2) Instelling van de omgevingstemperatuur

De maximale omgevingstemperatuur van de detector kan worden ingesteld tussen 25℃ en 50℃, wat de detector kan helpen zich aan te passen aan de werkomgeving.

(3) Set van werkende lengte

De lengte van de sensorkabel kan worden ingesteld van 50m tot 500m.

(4) Brandtest, fouttest

De connectiviteit van het systeem kon worden getest in het menu voor brandtest en fouttest.

(5) AD-monitor

Dit menu is ontworpen voor AD-controle.

De alarmtemperatuur is theoretisch evenredig met de omgevingstemperatuur en de gebruiksduur. Door de alarmtemperatuur, de omgevingstemperatuur en de gebruiksduur rationeel in te stellen, kunnen de stabiliteit en de betrouwbaarheid worden verbeterd.


  • Vorig:
  • Volgende:

  • Stuur ons uw bericht: